Ik ben Xamantha, inmiddels 39 en ik woon met partner en 3 katten in een klein Betuws gehucht.…

Al een paar dagen ben ik gespannen voor de tweede dag van mijn training. Ik moet naar Eindhoven reizen en dat is een hele onderneming vanuit het Betuwse dorpje waar ik woon.

Ik ben geen held als ik moet reizen. Heb moeite met het verwerken van de hoeveelheid prikkels die op me afkomt, vind het niet prettig om met vreemden in een kleine ruimte te zitten en elke overstap is een stressmoment: waar moet ik zijn, stap ik echt wel in de goede trein/bus en kan ik een rustig plekje vinden? Ik voel mijn lichaam dan verstijven en merk hoe er in mijn hoofd vluchtreacties ontstaan die ik moet onderdrukken. Angst voor een paniekaanval, of erger: een dissociatie.

De vorige keer is de reis redelijk goed gegaan. Het stukje naar Tiel kan ik intussen dromen en is niet zo’n hindernis meer. Vanaf Tiel reisde ik samen met een medecursist. Het scheelt een hoop om tijdens de vele overstappen niet alleen te zijn. Tegelijkertijd kost gezelschap hebben me soms ook een berg energie: ik wil sociaal zijn, het gesprek gaande houden.

De dag ervoor laat mijn reisgenootje weten niet mee te kunnen.
Shit. In gedachten zie ik me, met name op de terugweg na een lange cursusdag, ergens halverwege stranden. Dat is een risico dat ik zou kunnen nemen, maar ik durf niet.
In razend tempo probeer ik een alternatief te vinden. Dat is er: mijn ouders wonen in Brabant, in een dorp dat een rechtstreekse busverbinding met Eindhoven heeft. En mijn vader heeft een auto.
Zal ik hem bellen met de vraag of hij me de volgende dag naar Eindhoven wil brengen en me na afloop weer thuis wil brengen? Of zal ik vragen of hij me vandaag al ophaalt, zodat ik een avond met mijn ouders door kan brengen en de volgende ochtend zélf de bus naar Eindhoven kan pakken?

Ik besluit te vragen om de laatste optie.
Sta een tijd te dralen met de telefoon in mijn hand, vind het moeilijk om deze toch wel grote gunst te vragen.
Uiteindelijk draai ik het nummer en dan gaat het snel: mijn vader vindt het prima en zegt er over 40 minuten te zijn.
Ik vlieg door het huis om spullen te verzamelen, kleed me drie keer om en ben uiteindelijk zo aan het zweten dat ik ook nog even een douche moet nemen.

De kalmte van mijn vader maakt de rit ontspannen en we zijn in no time in Uden. Even later overleggen we over de maaltijd en voel ik me kalm genoeg om nog even op de fiets naar de winkel te gaan voor wat extra boodschappen.
We eten in de tuin, ik klets wat bij met mijn ouders.

Na het eten breng ik mijn spullen naar boven, naar de logeerkamer, die ooit mijn slaapkamer was. Ik bel even met het thuisfront.
Als ik weer naar beneden wil gaan, hoor ik dat er druk gepraat wordt. Mijn oom en tante zijn op visite. Lieve mensen die ik heel graag mag, maar op een of andere manier durf ik de huiskamer niet in.

Een oud en bekend gevoel.
Ik heb niet lang in dit huis gewoond, maar het was wel in de tijd dat mijn geest het al flink begon te begeven. Mijn kamer was toen mijn eigen kleine wereldje waarin ik mijn tranen de vrijheid kon geven als ik herbelevingen had. De plek ook waar ik ontzettend depressief was en zelfmoord overwoog. De plek waar ik tegen mijn eigen demonen vocht en de weg heel erg kwijtraakte.

Mijn ouders weten waarschijnlijk helemaal niet dat ik talloze keren bovenaan die trap heb gestaan, angstig om me bij de rest van het gezin te voegen. Beschaamd voor mijn rode ogen, mezelf bij elkaar rapend om ‘normaal te doen’.

Ik probeer het nog een paar keer, maar keer uiteindelijk verslagen terug naar de logeerkamer. En daar zijn de tranen weer.
Wat er in de uren die volgen precies gebeurt weet ik niet, alleen dat ik heen en weer schiet tussen heden en verleden. Aan de muren hangen verschillende herinneringen aan Kurt Cobain met het jaartal 1994 erop. Het jaar dat ik daar woonde, het jaar ook waarin ik gehuild heb om zijn dood en stiekem strontjaloers was op die zelfgekozen dood. De posters zijn niet van mij geweest; na mijn vertrek uit het ouderlijk huis heeft mijn zusje op die kamer gewoond en zij was ook fan.

Ik heb mijn smartphone bij me, een onmisbaar hulpmiddel. Daar check ik een paar keer de datum. Het is 2013. Kurt is al heel lang dood en ik ben niet meer die verwarde tiener. Dat blijf ik mezelf voorhouden, maar de paniek komt in golven.

Uiteindelijk hoor ik mijn moeder de trap op komen, ze roept me zachtjes. Zegt dat het bezoek weg is. Want we zijn zoveel jaren verder en ze weet nu heel goed wat er speelt bij mij. Niet precies wat er op dit moment speelt, maar ze heeft wel aangevoeld dat ik niet naar beneden durfde.

Ik kom mijn kamer – nee, de logeerkamer – uit en breng nog wat ontspannen momenten door met mijn moeder. Schaam me voor mijn rode ogen, maar kan me daar overheen zetten en laat me afleiden. Op die manier kom ik kalmpjes aan weer terug in het heden en na nog een shaggie in de tuin kruip ik in het logeerbed en bereid me voor op de dag die komen gaat.