Van onmacht naar kracht en balans Mijn naam is Marjo Brouns. Ik ben al een aantal jaar mantelzorger,…

De dagvoorzitter opent het symposium over mantelzorg waar ik ben en nodig de wethouder uit op het podium voor zijn openingsverhaal. In een bruggetje naar dat openingsverhaal vraagt de dagvoorzitter aan de wethouder: “Heeft u in privé ook te maken met mantelzorg?” De wethouder neemt het woord: “Ja, helaas was ik ook mantelzorger toen ik voor mijn moeder heb moeten zorgen.” Ik zit in de zaal en krijg spontaan dubbele buikpijn. Een keer bij het woord ‘helaas’ en nog een keer vanwege het woord ‘moeten’.

Ik herken me niet in ‘helaas’ en ‘moeten’. Het ongeval van mijn man was zes jaar geleden een heftige gebeurtenis, het haalde ons leven overhoop. Maar zoiets kan gebeuren en dan zorg je voor elkaar. Voor mij was dat eerder logisch dan dat het als een plicht (als in moeten) voelde. En voor wat dat ‘helaas’ betreft: In een mensenleven gebeuren eenmaal dingen, die je soms heftig door elkaar schudden, die je aan het denken zetten, maar je ook andere waarden in het leven laten zien en waarbij je ook ontdekt waartoe je wel en niet in staat bent, je benut kwaliteiten van jezelf waarvan je niet besefte dat je die bezat. Ik leerde mijzelf – in dit vallen en opstaan – in elk geval heel goed kennen.

De insteek van de wethouder baart me zorgen. Onze verzorgingsstaat verandert zodanig dat iedereen in onze samenleving – in meer of mindere mate – te maken krijgt met mantelzorg. De woorden van de wethouder nodigen niet uit om voor een naaste te zorgen, ze roepen voor mijn gevoel eerder weerstand op.

De wethouder vervolgt zijn verhaal en licht de uitgebreide plannen van de gemeente toe en deelt de ideeën van de gemeente over het ondersteunen van mantelzorgers. Want overbelasting dreigt immers, aldus de wethouder. Ook zorgprofessionals delen op het podium een behoorlijk aantal initiatieven over hoe ze mantelzorgers willen ondersteunen en hoe ze hen willen betrekken bij de zorg. Ik hoor opnieuw veel over wet- en regelgeving, zorgplannen, budgetten, indicaties, projectplannen en speerpunten. Vakjargon dus; vanuit het perspectief van de instantie gezien ook. De buikpijn blijft en ik voel me als slachtoffer gezien en als ik niet oplet word ik betutteld waar ik bij sta.

Uit bevindingen van Lilian Linders, lector Social Works aan de Fontys Hogeschool, blijkt dat mantelzorgers degenen zijn die nu reeds hun burgerkracht inzetten en hun participatie-rol ruimschoots vervullen. Door de veronderstelling dat zij ondersteunt moeten worden, haal je juist de kracht van deze mensen omlaag, aldus Lilian Linders. Toch blijft dit ondersteunen van mantelzorgers een hardnekkige en primaire denkrichting bij veel instanties. De focus ligt daarbij op (dreigende) overbelasting bij mantelzorg.

Op weg naar huis overdenk ik wat ik vandaag hoorde: Steeds het zware van mantelzorg benadrukken, opnieuw betuttelend, als slachtoffer van de situatie gezien en vooral te snel veronderstellen, oordelen en voor mantelzorgers invullen. Goed luisteren blijft moeilijk: ze stellen wel vragen aan mantelzorgers, maar er wordt onvoldoende of niet doorgevraagd. Gelijk de veronderstelling wanneer je een jaar niet op vakantie kunt, dat je dat vast erg vindt en je mogelijk iets aan respijtzorg hebt. Ik word er niet vrolijker van. Ben ik dan een van de weinigen die de kracht van mantelzorgers ziet?

En zeker de laatste tijd lijkt het of mantelzorg eerder moeilijker gemaakt wordt door alle nieuwe regels en voorwaarden rondom decentralisaties, keukentafels, trekkingsrecht en pgb. Zuchtend vervolg ik mijn weg naar huis.

Dan plotseling, voordat ik echt cynisch word, weet ik het: Het zou helemaal niet moeten gaan over ondersteunen van mantelzorgers, maar het zou eerder investeren moeten zijn. Investeren in mantelzorgers! Investeren in dat wat je (in de samenleving) van waarde vindt. Zorgen dat het blijft bestaan en zich ontwikkelt. Zowel voor individuele burgers en in de samenleving mantelzorg mogelijk maken. Het is een soort omdenken: mantelzorgers niet stutten en steunen, maar in hen investeren en mogelijk maken dat iedereen – in de nabije toekomst – voor een naaste