“Wat doe jij nou eigenlijk de hele dag?” Dat is een vraag die ik veel hoor van mensen…

Hoe moet je participeren als er een groep mensen met een beperking in je flatgebouw komt wonen. Moet je participeren? Wat is participeren eigenlijk? Ga je dan klusjes doen voor elkaar of groet je elkaar alleen? Nodig je iemand uit op de koffie of ga je samen boodschappen doen? Of doe je niks, omdat je niet weet wat je met deze mensen aan moet?

Vaak is er toch al een mening gevormd door de buurtbewoners over de komst van een woonvoorziening in de wijk of soms ook als onderdeel van een flatgebouw. Komt dit doordat de doelgroep onbekend is? En men niet weet wat het gaat betekenen of wat men kan verwachten?

Wat ik in mijn werk merk, is dat wij als begeleidend team wel in contact komen met buurtbewoners. Maar dat buurtbewoners minder snel het contact aangaan met onze cliënten.

Beschermd wonen in de wijk vraagt om zorgvuldigheid van de professional. Het blijft altijd een vraag hoe we buurtbewoners informeren over de aanwezigheid locatie van Amarant in hun woonomgeving. Zeg je niks, dan kan je op onbegrip stuiten, zeg je teveel dan schendt je de privacy van degenen die zorg afnemen. Hoe waarborgen we het wonen “zo normaal als mogelijk”?

Als professional probeer je denk ik een voorbeeldfuncties te vervullen door buurtbewoners te groeten, een praatje te maken, opgeruimd te blijven etc.

Kunnen we meer doen? Moeten we meer doen, voor het wonen en tijdens wonen? Hoe blijven we in gesprek? Waar kunnen we elkaar in tegemoet komen? Wie het weet, mag het zeggen. Misschien wel tijdens de week van de dialoog op 9 november?